logo

Oude beroepen

Oude beroepen uit Alblasserdam.

In de 19e eeuw had je in Alblasserdam de volgende ambachten:

afschrijver/ijzerwerker,
arbeider,
baanders,
blokmakers,
huisschilders,
klompenmaker,
kuiper/kuiperij,
melkboer,
metselaars,
rietdekkers,
scheepbouwers,
schoenmakers,
sigarenmakers,
timmerlieden,
touwslagers,
kleermakers,
kruikenzeikers,
wevers,
zeilmakers.

Afschrijver/ijzerwerker.

Bij veel scheepswerven had je een spantenvloer, op zo'n spantenvloer stonden de spanten van een schip getekend. Afschrijvers konden aan de hand van deze gegevens schetsen maken om een stukje 'huid' te vervangen. 
Afschrijvers die tekenden op platen staal de lijnen waar langs de brander moest branden, er werden ook lijnen geplaatst waar een schot geplaatst moest worden, op iedere plaat werd een 'uniek nummer' aangebracht zodat de ijzerwerkers later alles gemakkelijk terug konden vinden.
In een later stadium kwam er de afdeling optaf, hier werden tekeningen gefotografeerd, de negatieven werden op glazen plaatjes geplaatst, een negatiefplaatje werd in de optaftoren geprojecteerd en de afschrijvers/ijzerwerkers gaven aan waar een plaat staal gebrand moest worden.
De laatste jaren is de afschrijver uit het beeld verdwenen, de tekeningen gaan nu via softwarepakketten naar de branders, hier staan brandmachines die geautomatiseerd zijn, een brander is nu dus een operator geworden die alleen nog knoppen moet bedienen.
IJzerwerkers bestaan nog wel maar hun vak bestaat nu hoofdzakelijk uit het samenstellen van secties.

Arbeider.

Een arbeider is in het algemeen een man of vrouw die in loondienst werkt. Voor vrouwelijke arbeiders wordt soms het woord arbeidster gebruikt. Volgens sommige definities is een arbeider altijd iemand die met zijn/haar handen werkt. Anderen gebruiken hiervoor het woord handarbeider en kennen daarnaast het begrip hoofdarbeider. Een vrouw kreeg veel minder loon dan een man.
In Nederland werd vroeger onderscheid gemaakt tussen arbeiders, die meestal een weekloon kregen en beambten of employees die een maandsalaris genoten. Sinds de jaren 1960 is dit verschil echter uit vrijwel alle cao's verdwenen.
Bron:Wikipedia.

Baanders.

Een baander is iemand die werkt op een touwbaan.
Bron:Wikipedia.

Blokmakers.

Blokmaker was in de scheepsbouw een ambacht voor het vervaardigen van blokken, ook wel katrollen genoemd. In de tijd van de zeilvaart een onmisbaar ambacht. Voor de tuigage van een zeilschip waren talrijke blokken nodig. De werkplaats waar dit ambacht beoefend werd heette blokmakerij.
Bron:Wikipedia.

Klinker/aanhouder/nagelheter/boorder.

Eerder dan verwacht verschijnt hier tekst en uitleg over de beroepen klinker, aanhouder,nagelheter en ponser (boorder is niet het juiste woord).

Het gezelligheidskoor 'de Klinkers', uit Alblasserdam, traden donderdag 8 september 2005 op tijdens Alblaspop.Alblaspop duurde vanaf donderdag 08-09 tm zaterdag 10-09, er traden nog veel meer bands op, het volledige programma vindt u hier

In het centrum van Alblasserdam staat dit standbeeld van klinkers en aanhouders.

Kloppenmaker.

Een klompenmaker is een ambachtsman die klompen vervaardigt. Dit gebeurt door een blok hout te snijden en uit te hollen, totdat de klompvorm wordt verkregen.

Een klomp is een houten schoeisel dat reeds sinds de oudheid bestaat en tijdens de Middeleeuwen in grote delen van Europa gedragen werd door vooral arbeiders en boeren. Een andere oude benaming is holleblok of holsblok. Trippe en platijn zijn houten zolen met lederbanden die uit de Middeleeuwen stammen. De tripklomp is een laag uitgesneden klomp met een leertje over de wreef die vooral door vrouwen en kinderen werd gedragen.
Ongeverfde klompen werden met zand of schelpgruis schoongeschuurd en in sommige gebieden witten vrouwen daarna hun klompen meestal op de vrijdagen met krijtwit. Ze droegen deze gewitte klompen in huis en wanneer ze naar de kerk gingen.
Het lopen op klompen vereist een speciale techniek. Iemand die nog nooit op klompen heeft gelopen, kan er veel moeite mee hebben en al snel zijn of haar klompen verliezen. Door bij het optillen van de voet de tenen te krommen wordt de klomp vastgehouden. Mensen die vaak op klompen lopen doen dit onbewust. Het lopen op klompen doet aanvankelijk pijn aan de wreef, maar dat went snel. Kenners beschouwen klompen als een warme en veilige vorm van voetbedekking. Traditioneel worden klompen in een gele kleur gelakt, soms met eenvoudige versieringen die van plaats tot plaats verschillen. Vaak doen de versieringen aan schoenveters denken, alsof men de klomp op een schoen wil doen lijken. 
Door de week droeg men doorgaans ongeschilderde klompen. Bij de kerkgang was dat anders: mansklompen waren zwart geschilderd en vrouwsklompen naturel gelakt met een bloemmotief. Klompen uit de souvenirindustrie zijn vaak met molens of tulpen beschilderd.
Ook waren er klompen met scherpe metalen punten onder de klomp bevestigd, waarmee men op het ijs kon lopen zonder uit te glijden. 
Bron:Wikipedia.

Kruikenzeikers.

Hoe het nou precies zit met de ‘kruikezeiker’ weet niemand. Het is zeker dat urine al in de 17e eeuw gebruikt werd voor het wassen en bij het verven van wol, maar hebben Alblasserdamse arbeiders inderdaad hun plas verzameld in kruiken en de inhoud verkocht aan fabrikanten? Waarom urine? Omdat urine voor 93.3 procent uit water bestaat en voor 6.7 procent uit vaste stoffen. Ongeveer eenderde van de vaste bestanddelen is de stof ureum, en door die stof komt na een chemisch proces ammoniak in de urine. Door de wol, recht van het schaap, met urine te wassen, werd de wol gereinigd. Men vulde een bad met eenderde urine en tweederde water, en liet dit een nacht staan. Het mengsel werd verwarmd tot vijftig graden celsius, en dan werd de wol daarin gewassen. Vervolgens moest de wol uitgespoeld worden in schoon water. Urine werd ook gebruikt bij het verven van de wol (of ‘het laken’ zoals men in die tijd zei). Niet voor elke kleur was urine nodig, maar bijvoorbeeld wel voor blauw. Denk aan de blauwe stof van de boerenkielen. Het verven en koken van de stof leverde in de ververijen veel afvalwater op dat via sloten werd afgevoerd. Vandaar het woord ‘blauwsloot’. Er zijn verfrecepten met gebruik van urine bewaard gebleven en we weten ook dat op zeker moment een emmer urine een halve stuiver kostte. De oudste bron, een akte, over het gebruik van ‘warm stinckende pis of zeep’ dateert van 11 oktober 1689.
In Alblasserdam hadden ze de urine nodig voor de verwerking van touw uit hennep.
Bron:Wikipedia.

Kuiper/kuiperij.

Een kuiperij is een werkplaats waar houten kuipen ook wel vaten of tonnen gemaakt worden, het beroep (of ambacht) van kuiper is nagenoeg verdwenen, daar de kuipen of vaten tegenwoordig van metaal gemaakt worden.
Kuipen worden in het algemeen toegepast voor het bewaren en vervoeren van onder andere vloeistoffen, denk daarbij aan wijn en bier, ook in de historische scheepsbouw waren kuipen onmisbaar. In de 15e, 16e en 17e eeuw waren bij een scheepswerf altijd diverse kuiperijen gevestigd.
Bron:Wikipedia.

Melkboer.

Een melkboer of melkslijter is een ouderwetse aanduiding voor iemand die een winkel dreef in, of langs de deur ging met, voornamelijk melk en zuivelproducten. Voor de uitvinding en grootschalige toepassingen van koelkasten kwam de melkboer in Nederland dagelijks langs de deuren. Tot eind 19e eeuw werd de melk meestal door boeren zelf rondgebracht. Later trokken veel werkloze boerenzonen naar de stad en begonnen een winkel waar ze melk, boter, kaas en eieren verkochten. Soms hadden ze nog een paard en een koe in de tuin. Er was veel concurrentie. Vaak verschenen op één trap meerdere melkboeren met grote kannen losse melk en een mand met eieren en 'dubbel gestoomde' melk. Het was een zwaar bestaan, trap op/trap af, maar melkboeren hadden echte buurtzaken, veel meer dan bakkers en groenteboeren. Alles ging op de pof en de melkboer had een sociale functie.
Rond de dertiger jaren van de 20e eeuw raakten de melkboeren vast in de greep van de melkfabrieken. De overheid legde veel regels op omdat de melk vaak ongezond was of verdund met water. Vooral in de oorlog werd veel geritseld. In de 30er jaren van de 20e eeuw ontstond de 'melkstrijd' tussen overheid en melkfabrieken. In Amsterdam ontstonden zelfs socialistische melkcoöperaties. Maar met de zelfstandige melkboer was het afgelopen, ze werden 'kleine middenstanders' met weinig mogelijkheden door te groeien naar een (groot)winkelbedrijf. Pas in de Duitse tijd kreeg de overheid grip op kwaliteit van de melk door een centrale wetgeving. Rond de jaren '50 was de melk die melkboeren rondbrachten vaak nog niet gepasteuriseerd, zodat deze door de huisvrouw voor consumptie gekookt moest worden. Tot in de jaren 60, behielden nog veel melkboeren de bedrijfsvoering van voor de oorlog; zonder telefoon, snijmachine, kassa e.d. Later werd de term melkboer als denigrerend beschouwd, en werd deze vervangen door melkman. De melkmannen gingen met hun gemotoriseerde karren dapper de concurrentie aan met de opkomende supermarkten.
Met de opkomst van de supermarkt in het laatste kwart van de 20e eeuw is het beroep melkboer praktisch uitgestorven. Ook voelden de kinderen van melkboeren er niets voor om de zaak over te nemen. Er kwam zo een eind aan misschien wel de markantste vorm van middenstand die Nederland gekend heeft.
Bron:Wikipedia.

Timmerlieden.

Aan boord van schepen noemt men hem scheepstimmerman. In de tijd dat schepen nog van hout werden gemaakt onderhielden zij tijdens de reis het schip en herstelden zij schade. Heden ten dage zijn het de vaklieden, die aan boord van schepen - waar gewoonlijk niets recht is en nauwelijks seriewerk voorkomt - hun vak uitoefenen. Zij houden het ambacht in ere. De Nederlandse jachtbouw is mede wereldberoemd door de kwaliteit van de Nederlandse scheepstimmerlieden.
Bron:Wikipedia.

Touwslagers.

Een touwslager is een ambachtsman die garens tot touw verwerkt. Sinds het einde van de 19e eeuw is het beroep vrijwel uitgestorven.
Bron:Wikipedia.

Wevers.

Voor het weven spant men een aantal draden parallel op. De constructie waarop dit gebeurt heet scheren. De opgespannen draden heten schering. Soms moeten deze scheringdraden(of kettingdraden) gelijmd(gesterkt) worden om meer weerstand te hebben tegen breuk tijdens het weven. Vervolgens worden één voor één andere draden haaks hierop, tussen de schering door, in het weefgetouw ingelegd. Deze draden heten inslag. Deze draden worden strak tegen elkaar aangedrukt.
Bij een weefgetouw kunnen de draden van de schering(of ketting) per groep worden opgetild door schachten. Door in een bepaald patroon de draden op te tillen, ontstaan ingeweven patronen, die heel ingewikkeld kunnen zijn. Meestal worden de inslagdraden met behulp van een schietspoel in het weefsel geweven. Deze schietspoel is een schuitvormig blokje waarin een spoel met draad, die tijdens het heen en weer bewegen wordt afgewikkeld.
Bij modernere weefmachines worden de inslagdraden ingebracht met ofwel starre stangen (grijpers genoemd), met een klein metalen projectiel (op Sulzer weefgetouwen) of de inslagdraden kunnen ingebracht worden met luchtdruk en/of waterstraal. Het soort weefgetouw en de gebruikte techniek om de inslagdraden in te weven worden meestal bepaald door het soort weefsel dat men wenst te weven. Voor tapijten en zware weefsels worden meestal grijpers gebruikt. Bij weefmachines die met waterstraaltechniek werken kan men meestal slechts met synthetische garens weven.
Bron:Wikipedia.